Menu


Dojo's
Amsterdam
Almere
Internationaal

Lessen
Informatie
Inschrijven

Verhaal
De Meester zwaartvechter

About us
Interview Erik Louw

Blacksmithing
Impressies

KSR Links
Interesante Links
YouTube
Gallerie
De Katana
 

willemDe Meester Zwaartvechter

door WILLEM BEKINK

Deel I


Op zijn zevende verjaardag kondigde de jonge prins aan dat hij een beroemd zwaarrdvechter wilde worden, te beginnen op maandag.
Dat voornemen vond algemene bijval, vanaf de Daimyo zelf tot de geringste knecht in het paleis.

Zo kwam de dat voor maandag een deskundig schermleraar in het paleis wonen om het knaapje dagelijks lessen te geven in de beginselen van Kendo. Er werd veel aandacht besteed aan de juiste kledij en de daarbij passende toebehoren en iedereen bekeek de jongen bewonderend. Dit ergerde hem uitermate en hij gedroeg zich dan ook nog een graadje irritanter dan hij gewoonlijk al deed.

Nog erger was dat de leraar hem als een kind behandelde en er bij zijn lessen angstvallig voor zorgde dat de geliefde zoon van de mactige Daymio geen enkel schrammetje kon oplopen. De jonge prins, niet bij machte om zich genuanceerd uit te drukken, wilde uitleggen dat de brave behoeder van zijn welzijn in feite de vijand was van zijn toekomst als groot zwaardvechter. Hij kwam niet verder dan de korte uitspraak: “Het is een rot-leraar”, waarop de verbaasde leraar de laan werd uitgestuurd.

De tweede leraar was al niet veel beter, eerder nog een graadje erger. Ondanks de waarschuwing van zijn voorganger behandelde hij de jonge aspirant-krijgsman nog kinderachiger en was nog voorzichtiger de prins niet het minste letsel toe te brengen, ondanks diens duidelijke leergierigheid en bereidheid om als een consequentie ook lijflijke beschadigingen op te lopen. Ook deze leraar vloog eruit en in de daaropvolgende twee jaar versleet de jongen elf leraren.

Allen verschenen geestdriftig ten tonele en verdwenen even verbijsterd. De Daimyo zelf verzuchtte in bewondering: “hij is eigenlijk nog zo’n kleine jongen en toch al zo ferm als een echte krijgsman”. Hij was echter minder gelukkig toen de jongen aankondigde dat hij had gehoord van een meester zwaardvechter, die teruggetrokken in de bergen leefde en dat hij nu dáár zijn lessen ging nemen. Het joch liet een doos met sushi inpakken, stak zijn houten oefenzwaard in de gordel en verliet zonder verdere pour-parler hof en haard. Hij sloeg de weg in naar de bergen, onzichtbaar gevolgd door een niet geringe bewaking, die grote hoeveelheden voedsel, kleding en zijn favoriete speelgoed met zich meedroegen.

Onbewust van dit alles en nadat hij zijn laatste sushi had opgegeten kwam hij bij een klooster. Hooghartig verzocht hij om het menu van de dag, dat uit dunne rijstsoep bestond, nuttigde die zwijgend en vertrok zonder zelfs maar dankk-je-wel te zeggen. Toen de hoofdman van het gevolg daarop de abt wilde bedanken kreeg hij kortaf te horen: “Sinds wanneer moeten we dank verwachten als we een hongerig mens te eten geven”. Alhoewel dergelijke uitspraken natuurlijk goed passen in de mond van brave religieuze lieden, kreeg het klooster daardoor grote bekendheid en mocht zich later verheugen op gulle giften. De jongen ondertussen, klom hoger en hoger en alsof hij helemaal bekend was met de weg, liep hij recht af op de hut vna de Meester Zwaardvechter.

Buitengewoon zelfvoldaan over het volbrengen van zijn eenzame tocht wandelde hij de hut binnen en stond voor de Meester, die op dat moment in diepe meditatie was en zei met luide stem: “Wel Oudje, vertel mij nu je geheime kunsten maar eens. Ik wil de beste zwaardechter worden van het hele land en jij krijgt het voorrecht mij daarbij te mogen helpen”.

Hij wachtte ……..

Toen hij geen antwoord kreeg herhaalde hij zijn woorden op nog luider toon. Hij hield dat een uur lang vol met een onderbreking van twee á drie minuten. Uiteindelijk vermoeid ging hij erbij zitten en wachtte berustend tot aan dat onzinnige gedoe een eind zou komen.

Toen de Oude Meester gereed was kuchte hij, bekeek zijn kleine gast eens aandachtig en zei: “Wel wel mijn zoon, zwaardvechten hè? Welnu, als die twee kleine erwtjes tussen die spillebenen van je groot genoeg zijn geworden om ze op een heldere dag te kunnen herkennen als jeballen, kom dan maar eens terug. Dan zal ik eens kijken of ik een goeie bloemenschikker van je kan maken”. Daarop stond de Oude Man op, gaf in het voorbijgaan nog een paar flinke meppen op het smalle achterwerk van de jongen en verdween in het bos, hem buiten zichzelfe van woede achterlatend. Het was de eerste kastijding die hij in zijn korte leven ooit had gekregen. Het wonderlijke was dat hij behalve woede ook een vaag gevoel van respect in zich voelde opkomen.

Deel II